Menu
|
De basis voor deze site is gelegd door dhr. J.E.J. Jurry.
Hij heeft in medio 20e eeuw onderzoek gedaan naar o.a. de familie Bedet.
Zijn gegevens zijn later door mij aangevuld uit diverse bronen, voornamelijk ontsloten via internet / het Zeeuws archief.
Mijn gegevens mag u altijd gebruiken (met vermelding van de bronnen), tenzij het bedoeld is voor commerciele publicaties. Dan heeft u van mij schriftelijk toestemming nodig.
Indien u onjuiste gegevens tegenkomt of bezwaar heeft tegen pulicatie van (een deel) van (uw eigen) gegevens verzoek ik u vriendelijk contact met mij op te nemen.

Tonnie en John 2003
Gezocht - Ik zoek informatie over deze voorouders. Wie kan mij helpen
Nieuw - Bekijk de recente updates op deze site.
Indien u vragen heeft, commentaar, correcties of aanvullingen , neem via dit formulier contact met mij op.
|
De Familie Bedet
Gegevens uit “La Bibliothèque Nationale” te Parijs door dhr. J.E.J. Jurry
Er bestaan zeer weinig documenten over deze familie, tenminste wat de bovenstaande spelling betreft. In het kabinet der geslachtsnamen is geen dossier Bedet aanwezig. Indien de eerste Bedet in Nederland (Oost Zeeuws Vlaanderen) in 1694 bekend was, ligt het voor de hand dat deze een Franse Protestantse refugé (Hugenoot) was. Men is daarom met het onderzoek in die richting begonnen.
Onderstaand het resumé der gegevens die men vond in:
- Eugéne en Emile Haag “Het Franse Protestantisme” 2e editie, deel 2.
Paris 1879, in-8 (Cassier R. 172) klommen 189-196 (4 pagina’s)
- Jacques Bedey, die men ook onder de namen Bedès, Bedez en Bedet tegenkomt, was een predikant uit Cevennen, die zijn ambt uitoefende te St. Jean du Card, 1644-1666 en te Gros tot 1678. In de tijd voor de ontzetting uit het ambt, was hij onder de refugés van Nîmes bekend. De registers van de openbare bijstand van Laussane maken van het volgende gewag, de 22 augs 1690, de weduwe van predikant Bedet, refugé overleden te Laussane, als debetrice van een klein legaat van elf ponden, dat men haar kwijtgescholden heeft, uit een oogpunt van behoeftige omstandigheden, waarin zij verkeerde. Een latere inschrijving in het overlijdensregister van Laussane geeft aan, dat de weduwe van monsieur Bedét, predikant van Cros in de Cevennen, begraven 26 januari 1691.
- Jean Bedé, heer van Gormandière in Anjou, geboren in 1563, voltooid zijn studie te Genève, waar hij zich op 09 juni 1584 liet inschrijven. Bij zijn terugkomst verkreeg hij de positie van advcaat bij het gemeentebestuur van Parijs en was hij in 1596 ouderling van de Reformatorische Kerk van die stad. Door zijn geloofsgenoten te Parijs werd hij als afgevaardigde gezonden naar de bijeenkomsten te Loudun, Châtellerault en Gergeau, 1596-1608; overleden te Parijs 15 juli 1648.
Hij huwde Marie d’Ailleboust (waarvan men de naam ook Dailliboer schreef), dochter van een geneesheer van de koning.
Uit dit huwelijk veel kinderen, namelijk;
- Elie, geboren in 1599
- David, geboren in 1600
- Alexandre, geboren in 1610, advocaat, overleden in 1637
- Henri, geboren in 1618
- Isaäc, advocaat, huwde in 1629 Marie de Piédefer, uit dit huwelijk een zoon Jacques, advocaat van de Franse regering
De oudste, Elie Bedé, heer van Fourgerais werd geneesheer en Docter Regent, d.w.z. professor aan de medische faculteit te Parijs, met een klein aantal collega’s, zoals hij protestant, steunde hij de vrijheid van godsdienst in het milieu van het officiele medische corps. Elie Bedé huwde in april 1627 Marie Androuèt de Cerçeau, dochter van de architect Jaques Androuèt du Cerçeau.
Uit dit huwelijk;
- Elie, geboren 1627
- David geboren 1629
- Anne, geboren 1630
- Charles, geboren 1633
- Louise, geboren 1634
- Daviet, geboren 1636
- Jean, geboren 1639
- Henri, geboren 1642 (Peter: Henri de la Tour, Burggraaf van Turenne en Roch, 1647)
De na Elie geboren broer, Dauie (David) Bedé, heer van Loiselière werd advocaat in de regering van Parijs. Hij huwde in 1627 Marie le Ber en had uit dit huwelijk;
- Henri, geboren 1627
- Olympe, geboren 1628, vrouw van Auguste Hardy, heer van la Fosse
- Samuel, geboren 1629, heer van Loiselière
- Jean, geboren in 1633
- Benjamin, geboren 1634, heer van Longcourt, advocaat bij de regering van Parijs, in 1669 gehuwd met Catherine Combel.
David overleed in 1667 en zijn vrouw in 1675 in de leeftijd van 67 jaar. Hun kinderen ondervonden en hadden te lijden van de ellende van de toen heersende Godsdiensttwisten. In het jaar 1679 woonde te Londen, Samuel Bedé de Loiselière, Benjamin de Longcourt en hun zuster, toen weduwe Abel Bedé de Loudun, na in 1588 te Genève te hebben gestudeerd, van 1588 tot 1595 te Heidelberg, was in 1691 predikant van zijn geboortestad.
Opm. J. Bedet: Hier lijken een aantal personen te worden verward, Het was Elie’s vader Jean Bedé (geb. 1563), welke in Genève studeerde vanaf 1584.
- In de registers van de openbare onderstand te Londen komen voor;
- 1705 Jacques Bedée dex Aunais, oud 37 jaar, en Magdalaine Bedé de Lestang oud 40 jaar, beide van Loudun
- Olivier Bedé, heer van Anganry en zijn vrouw Elisabeth de Louvigny, lieten in april 1630 in de Tempel van Sharenton hun zoon Henri dopen en in juni 1633 hun zoon Pierre René Bedé van origine uit Anjou heeft in Zwitserland en te Heidelberg gestudeerd. In 1596 is hij als predikant beroepen door de kerk van Nîmes en in 1598 door die van Blois. Zijn zoon René Bedé werd in 1617 predikant te Issoudun.
- In het Amorial Général d’Hozier van 1696 komt men één inschrijving van en geslachtswapen Bedet tegen, dat van de vrouw van Pierre Bedey; onderstaand, exacte heraldische gegevens van dat wapen:
- Armorial Général de 1696. Register: Bourgondië II pagina 503 no 256. Inschrijving gedaan bij het Gemeentehuis te Dijon. Gehomologeerd op 20 december 1703 op voorschrift van de Commissarissen van de gemeente Dijon; Marguerite le Clerc, vrouw van Pierre Bedey, raadsman van de koning, auditeur van de Rekenkamer van Bourgondië, diende het verzoek namens haar man in.
- Schild goud met daarin vier horizontale rode balken.
- Men vondt ook een spoor van een kunstschilder Bedet, namelijk in Savoye. Slechts bekend door een schilderij uit 1619.
Gedenkschriften en documenten gepubliceerd door het Savoyese genootschap van Historie en Archéologie. Deel 12-1870 (8e L C 19.55). De schilders en de schilderijen in Savoye van de 13e tot de 19e eeuw door Auguste Dufour en François Rabut, pagina 169; J. Bedet (Jean of Joseph) volgens het schilderij. Een schilderij die op verzoek en met toestemming van de domheren van Chanbéri geplaatst is in het koor met de winterse uitbeelding van de kerken Notre Dame des Sept-Douleurs, Saint Dominique en Sainte Thérèse, met er naast twee geknielde kinderen aan iedere zijde van het schilderij, in de kleding van die tijd, heeft onderstaande woorden en datum;
J. Bedet
Faciebat
1619
- Wat Lugny betreft, en enquête gedaan bij de archieven van Saône et Loire te Maçon heeft naar voren gebracht dat bij die archieven te Maçon aanwezig is, de Burgerlijke Stand van de parochie Lugny vanaf 1633, een register van 1633-1674, daarna een van 1679-1699 enz.; d.w.z. er bestaat zonder twijvel de mogelijkheid de affiliatie Bedet veel verder terug na te gaan dan Julien Bedet, zoon van Antoine Bedet en van Claude Cuionet, gedoopt 04 juni 1688 te Lugny; de onderzoekingen in die registers kunnen slechts te Maçon zelf geschieden.
Er blijft echter nog over vast te stellen of de Bedet’s in Nederland (Oost Zeeuws Vlaanderen) werkelijk van origine van Lugny afkomstig zijn!
Het is inderdaad merkwaardig met vast te stellen dat al in de 15e eeuw een familie met de naam Bedet in Belgisch West Vlaanderen voorkwam.
- Edmond Marchal. “De beeldhouwkunst en de meesterwerken van de Belgische goudsmeedkunst”, Brussel 1895 (4o. V 5388)
- pagina’s 185-186 geven aan:
Jean Bedel of Bedet, imager te Doornik ontving in 1491, 70 stuivers voor te hebben uitgebeeld, gemaakt en gestalte te hebben gegeven en te hebben geleverd een groot van een kroon voorzien schild met het wapen van Frankrijk, afgezet door een steenen lijst waarin gebeeldhouwde rozen en waaronder de datum is gegrift wanneer het schild is gemaakt, volgens de tekeningen van de fortificaties is het schild aangebracht en bevestigd in de muur bij de poort van Bruille. Dezelfde beeldhouwer maakte in 1494 voor Jean de la Chapelle, kannunik van Kamerijk een grafmonument waarop de overledene was afgebeeld met de beeltenis van na zijn overlijden, overeenkomstig het gebruik dat begon door te breken in die tijd van de cadance der gothiek, voor een grafsteen van zwart marmer waarop een figuur van een overledene gebeeldhouwd, liggende op een mat, gemaakt te Doornik, zoals aangegeven door de archiefregisters van de uitvoering van testamenten.
Hij maakte ook in 1503 de marmeren grafzerk van Balthazar Gargatte van Doornik, waarvan de prijs 48 stuivers en 9 zilverlingen en in 1507 die van de kannunik Gieles de Nettelet, waarvan de prijs was 150 ponden. Hij werkte in datzelfde jaar voor het Weduwenhuis in de Bèvestraat, waarvan de ontvanger was Philippe Truffin, een der voornaamste schilders van Doornik. In de boedelbeschrijving van Catharine de le Guste (1565) komt voor een Pierre Bedet, blijkbaar een zoon van Jean, die 4 ponden en 5 stuivers ontving voor een grafzerk gemaakt en geplaatst op het graf van voornoemde overledene in de kerk Saint Pierre te Doornik.
- Pagina 406:
Anselme Bedet, afstammeling van Jean Bedet (zie pagina 185) ontving in 1608, 102 ponden voor een grafzerk met grote kunstzin en versiering gebeeldhoud, bestemd voor het graf van de overleden Jehan de la Chapelle te Doornik; in 1613, 46 ponden voor een grafzerk bestemd voor het graf van Jeromê Dennetières, in 1621, 15 ponden voor een kleinde grafzerk op het graf van Jean Deffarvaques.
Pierre Bedet, roquetier, blijkbaar zijn zoon, ontving in 1629 72 ponden voor een grafzerk van 7 voet lengte en 4 voet in de breedte met daarin gegraveerd de 8 kwartieren van Marguerite de Caroubbe, burggravin van Roulers. Er werd betaald an Petre (Pierre) Bedet in 1565, 4 ponden en 5 stuivers voor een grafzerk gemaakt en geplaatst op het graf van Catharine de le Guste.
|
In het Paleis van St. Cloud, den 18 Augustus 1811.
Napoleon, Keizer der Franschen, Koning van Italiën, Beschermer van het Rhijnverbond, Bemiddelaar van het Zwitsersch Bondgenootschap.
Op het rapport van onzen Groot-Regter Minister van Justitie;
Gezien ons Decreet van den 20 July 1808;
Onzen Staatsraad gehoord;
Hebben wij gedecreteerd en decreteeren het geen volgt:
Art 1. De genen onzer onderdanen in de departementen van het voormalig Holland, der Monden van den Rhijn, der Monden van de Schelde en van het arrondissement Breda, welke tot dus verre genen vasten familienaam of voornamen hebben gehadt, zullen gehouden zijn, zodanigen, in den loop van het jaar der bekendmaking van ons tegenwoordig decreet, aan te nemen, en de opgave daarvan te doen aan den ambtenaar van den civielen staat der gemeente, alwaar zij woonachtig zijn
Art 2. De namen van steden zullen niet toegelaten worden als familie-namen. Als voornamen mogen worden aangenomen dezulke, die bij wet van den II germinal IIde jaar zijn toegestaan.
Art 3. De maires, de opneming der inwoners hunner gemeenten doende, zullen gehouden zijn, te onderzoeken en ter kennis van het bestuur te brengen, of dezelve persoonlijk de bij voorgaande artikelen voorgeschreven voorwaarden hebben vervuld.
Zij zullen insgelijks gehouden zijn, de genen der inwoners van hunne Gemeenten, die van naam veranderd zijn, zonder zich te hebben gedragen naar de bepalingen van de bovengemelde wet van II Germinal IIde jaar, ter kennis van het bestuur te brengen.
Art 4. Van de bepalingen van ons tegenwoordig decreet zullen uitgezonderd zijn dezulken onzer onderdanen van de departementen van het voormalig Holland, der Monden van den Rhijn, der Monden van de Schelde en van het arrondissement Breda, die bekende namen en voornamen hebben, en welke zij bestendig hebben gevoerd, al ware het, dat die namen en voornamen voortkomstig zijn uit die der steden.
Art 5. De genen onzer onderdanen, in het voorgaand artikel vermeld, die hunne namen en voornamen willen behouden, zullen desniettemin gehouden zijn, dezelve op te geven, te weten: die, welke in bovengemelde departementen wonen, bij de mairie der gemeente, alwaar zij woonachtig zijn, en de andere, bij de zoodanige, alwaar zij voornemens zijn, hunne woonstede te vestigen: alles binnen den tijd, in art. 1 vermeld.
Art 6. De familienaam, dien de vader, of, bij ontstentenis van dien, de grootvader van vaderszijde, verklaard heeft, te willen aannemen, of welke hem toegekend zal blijven, zal aan alle kinderen worden gegeven, die gehouden zullen zijn, denzelven te voeren en aan te nemen in de akten; ten dien einde zal de vader, of, bij gebreke van dien, de grootvader, de aanwezig zijnde kinderen en kleinkinderen in zijne opgave vermelden, alsmede derzelver woonplaats; en dezulke onzer onderdanen, die hunnen vader, of bij ontstentenis van denzelven, hunnen grootvader nog in leven hebben, behoeven slechts te verklaren, dat hij nog in leven is, benevens de plaats van zijn verblijf.
Art 7. Zij, die de bij het tegenwoordig decreet voorgeschreven formaliteiten, en binnen den daar bij vermelden tijd, niet zullen vervuld hebben, en zij, die, in eenige publieke akte of onderhandsche verbintenis, willekeurig en zonder zich te hebben gedragen naar de bepalingen der wet van den IIden germinal IIde jaar, van naam veranderd zouden zijn, zullen overeenkomstig de wetten gestraft worden.
Art 8. Onze grootregter minister van justitie en onze minister van binnenlandsche zaken zijn belast, ieder voor zoo veel hem aangaat, met de uitvoering van het tegenwoordig Decreet, dat in het bulletin der wetten zal worden geplaatst.
(get.) NAPOLEON
Van wege den Keizer,
de Minister Secretaris van Staat,
(get.) De Graaf DARU.
|